Omkering bewijslast bij beschuldiging van seksuele intimidatie

Stelt u zich het volgende eens voor. Morgen roept u één van uw medewerksters in uw kantoor om haar aan te spreken op haar functioneren. Zij is het met uw kritiek niet eens. Uw gesprek met haar verloopt nogal heftig en zij verlaat huilend uw kantoor. Een paar weken later beschuldigt de betreffende medewerkster u er van dat u haar tijdens het gesprek seksueel hebt ge´ntimideerd. Zij zou zich enkele dagen na het gesprek met u daarover ook bij haar huisarts hebben beklaagd. Omdat de arbeidsverhouding verstoord is, vraagt zij de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met u te ontbinden, onder toekenning van een zeer forse ontslagvergoeding vanwege het feit dat u haar seksueel ge´ntimideerd zou hebben. De rechter belast u vervolgens met het bewijs dat van seksuele intimidatie geen sprake is. Omdat bij het gesprek met de medewerkster geen derde persoon aanwezig was, kunt u dit bewijs niet leveren. De kantonrechter besluit vervolgens de arbeidsovereenkomst te ontbinden en veroordeelt u daarbij tot betaling van een hoge ontslagvergoeding.

Is het bovenstaande scenario fictie of werkelijkheid? Helaas zou het wel eens werkelijkheid kunnen blijken te zijn. Sinds een wetswijziging in 2006 wordt de bewijslast ter zake van intimidatie en seksuele intimidatie tussen werkgever en werknemer ten nadele van de werkgever omgekeerd, indien de werknemer feiten aanvoert en aannemelijk maakt waaruit het vermoeden voortvloeit dat sprake is van (seksuele) intimidatie. Als de rechter in bovenstaand voorbeeld van mening is dat voldoende aannemelijk is geworden dat de werkneemster overstuur uw kantoor verlaten heeft en dat zij een paar dagen later tegen de huisarts heeft gezegd dat zij door u seksueel ge´ntimideerd is, zou de rechter daaruit wel eens het vermoeden van seksuele intimidatie kunnen afleiden en u de last op kunnen leggen te bewijzen dat geen seksuele intimidatie heeft plaatsgevonden.