Wetgeving en jurisprudentie

Artikelen 3, 4, en 5 en 33 Arbeidsomstandighedenwet:
De werkgever is verplicht tot het voeren van arbeidsomstandighedenbeleid waaronder het tegengaan van seksuele intimidatie, agressie en geweld. De daaraan verbonden risico's voor de werknemer moeten schriftelijk worden vastgelegd in een risico-inventarisatie en -evaluatie. In een plan van aanpak moet worden aangegeven welke maatregelen zullen worden genomen in verband met deze risico's. De eerste overtreding is een beboetbaar feit, de tweede overtreding binnen 48 maanden is een strafbaar feit.

Artikel 7:658 lid 1 Burgerlijk Wetboek:
De werkgever heeft een zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving, waaronder mede de verplichtingen vallen die de werkgever op grond van de Arbeidsomstandighedenwet heeft. De werkgever moet maatregelen treffen en aanwijzingen verstrekken die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De werkgever is aansprakelijk voor schade die de werknemer in uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij zijn zorgverplichting op grond van is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

Artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek:
De werkgever is aansprakelijk voor schade wegens handelen in strijd met goed werkgeverschap.

Artikelen 1a en 1b Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel 7:646 leden 1, 6 en 12 Burgerlijk Wetboek:
Direct en indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst, bij arbeidsvoorwaarden, bij bevordering en bij opzegging van een arbeidsovereenkomst is verboden. Het verbod van direct onderscheid tussen mannen en vrouwen houdt mede een verbod in op intimidatie en verbod op (seksuele) intimidatie. In de verhouding tussen de werkgever en de werknemer wordt de bewijslast omgekeerd indien de werknemer die meent dat in zijn nadeel een verboden onderscheid wordt gemaakt in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met dit verbod is gehandeld.